Aconcagua 1996/1997

Valse start

Het is 25 december 1996. Alleen de datum op je horloge doet eraan herinneren dat het kerst is. We zijn hier vannacht met de voltallige, 18 man grote, Aconcagua-expeditie aangekomen in Puente del Inca. De nederzetting lijkt nog het meest op een verlaten dorpje uit een slechte western, van waaruit het merendeel van alle expedities naar de hoogste berg van het westelijk halfrond vertrekt. De enige bezienswaardigheden zijn wat zwavelbronnen en - bitter - een kerkhof met gesneuvelde klimmers. Een berg beklimmen is niet moeilijk, ook heelhuids terugkeren is een veel grotere opgave. Morgen vertrekken we voor de tweedaagse tocht naar de berg, een kleine 40 kilometer verderop. Vandaag hoeft alleen de 670 kilo bagage (eten voor drie weken, tenten, klimmateriaal, vuurwerk, champagne, etc.) gepakt te worden die overmorgen met muilezels naar het basiskamp vervoerd worden.
Wanneer ik de volgende ochtend wakker word is het mis. Misselijk, geen eetlust en diaree. Enkele anderen hadden hetzelfde al gisteravond. Waarschijnlijk is de lunch gisteren niet zo'n beste geweest. Toch zie ik nog geen problemen met de tocht vandaag. Slechts een uurtje of vijf naar het tussenkamp op 3368m. Maar al gauw wordt de wandeltocht een martelgang. Door de brandende zon, de inspanning en vooral de hoogte is het drinken van veel vocht essentieel. Het laatste waar ik om verlegen zit is nu wel diaree. Na veel drinkpauzes (tot het water op is, want onderweg komen we nergens water tegen) en nog meer afzien bereik ik als laatste eindelijk de eerste kampplaats. Ik ga direct liggen, neem een handvol medicijnen tegen al het denkbare en probeer te slapen. 's Avonds doe ik nog een poging toch wat te eten, maar ik kan zelfs geen soep binnenhouden.
De volgende ochtend gaat het iets heter. Een heuse banaan vormt mijn stevige ontbijt. In de verte rijst de majestueuze zuidwand van de Aconcagua bijna drie kilometer loodrecht omhoog tot een hoogste punt van 6962 meter. Gelukkig gaan wij aan de andere kant omhoog. Maar voor we daar zijn moet de tocht van vandaag ons over een afstand van maar liefst 22 kilometer naar het basiskamp op 4230m brengen. 22 Kilometer eindeloze, troosteloze, maar vooral droge valleien van rots, steen en puin, zonder enige vorm van begroeiing. Al gauw begint de dag van gisteren zijn tol te eisen. Dat was een martelgang, maar vandaag overtreft alles. Niet alleen ik krijg het te zwaar, ook de rest begint steeds moeizamer vooruit te komen. Maar na bijna tien uur is iedereen in Plaza de Mulas, het basiskamp, waar nog zeker enkele tientallen expedities zich ophouden. Nu alleen nog de tenten opzetten en eten koken, veel eten. Maar alles wat je doet is vermoeiend op deze hoogte. Zelfs van veters strikken hijg je uit alsof je net twee kilometer hebt hardgelopen. Toch ben ik blij dat we er zijn.

Basiskamp

De volgende dagen besteden we aan bijkomen, bijeten en wat huishoudelijke bezigheden. Een deel van de bagage komt twee dagen te laat en kapot aan. Robert, de expeditieleider, maakt er nog ruzie om met de hulpjes van de muilezeldrijver. Niet dat dat veel uithaalt, ze weten maar al te goed dat we van ze afhankelijk zijn. Verder bouwen we van wat stenen een heus keukenblok in de kooktent. Enkele grote, platte stenen doen dienst als bankjes. Ook maken we deze dagen wat verkenningstochtjes op de berg om te acelimatiseren. Ik merk dat ik nog verre van hersteld ben. Er is hier een permanent bemande EHBO-tent aanwezig, waarin we zien dat iemand wordt binnengedragen. Even later gaat een generator aan en de man wordt aan de zuurstof gelegd. De generator zal de hele nacht blijven draaien. Dan is het oudejaarsdag. De Zwitser die vannacht aan de zuurstof heeft gelegenwordt per muilezel naar het dal gebracht. Hij zal het niet meer halen.
Het was de bedoeling om vandaag met een rugzak vol eten het eerste kamp te bevoorraden, maar het is vannacht gaanstormen. Tot nu toe was het weer goed: strak blauwe hemel, in de zon bijna twintig graden en slechts een matige bries (wat hier uitzonderlijk schijnt te zijn),'s nachts ongeveer tien graden vorst. Maar de matige bries is van richting veranderd en komt nu rechtstreeks van de oceaan: de beruchte Viento Blanco heeft de kop opgestoken. Compacte wolken stuiven met orkaankracht rond de top. Bijna alle expedities die al hoger op de berg zaten hebben vannacht, of bij het eerste daglicht, hun biezen gepakt en zijn afgedaald. Er is iemand in het donker verdwaald boven op de berg. Hij heeft al zijn vingers en waarschijnlijk ook zijn tenen bevroren. De storm wordt in de loop van de dag minder.
Morgen gaan we, mits de Viento Blanco blijft liggen, omhoog. Maar eerst oud en nieuw vieren. Dat kan zelfs twee keer. Om acht uur, als het in Nederland middernacht is, wordt er geproost, en om middernacht gaat er nog een fles champagne open.
Dan is het nieuwjaarsdag, zeven uur 's ochtends. Ik kan me niet herinneren op nieuwjaarsdag ooit zo vroeg te zijn opgestaan. Toch voel ik me voor het eerst weer redelijk fit en heb zin in de tocht omhoog. Het is een saai stuk. Door het ontbreken van sneeuw of ijs is het slechts een eindeloze puinhelling die getrotseerd dient te worden. Boven 5000 meter begint de hoogte weer enorm te gelden. Iemand slaat met een hamer in mijn hoofd en verzwaart mijn benen met lood. Maar na een uur of zes zijn we allemaal in kamp 1 op 5365m. Alleen Armin zag het halverwege niet meer zitten en is omgedraaid. Het kamp hier wordt ook wel Nido de Condores genoemd. Niet geheel onterecht, want hier hoog boven cirkelen er twee. Ik probeer even van het uitzicht te genieten en kijk omhoog richting top. Het lijkt heel dichtbij. Ook op de route naar de top ligt nauwelijks sneeuw of ijs zodat je er zo naar toe loopt. Zo lijkt het in elk geval. De gevreesde 'Canaleta' (een steile geul, gevuld met puin, die naar de top leidt) wordt net aan het oog onttrokken. In anderhalf uur dalen we af, waar we omhoog nog zes uur over deden. Ik ben helemaal leeg als we weer beneden zijn.

The only way is up.

De strategie voor de komende dagen is min of meer bepaald. Morgen rustdag hier in het basiskamp. Dan met de rest van de uitrusting (tenten,slaapspullen,warme kleren;klimspullen blijken niet nodig, gezien de toestand hoger op de berg) naar kamp1. Daar een rustdag. Dan kamp2 bevoorraden en weer een rustdag in kampl. Vervolgensnaar kamp2 om de volgende ochtend vroeg een toppoging te wagen. Ik vraag me af of we niet te veel niets doen op grote hoogte en zou graag een wat snellere strategie zien. Die mening wordt niet gedeeld.
De dag dat we naar kamp1 gaan voel ik me slap. Armin heeft besloten niet mee te gaan. Ook zijn broer Ronald is niet alleen uitgeput, maar kampt ook met maagproblemen. Zij zullen morgen afdalen en houden de hele expeditie al voor gezien. Ik ga toch mee omhoog. Maar al na een paar uur krijg ik geen been meer voor de andere. Ik pep mezelf nog een paar keer op. Later pept Rooz, de ijzersterke assistente van Robert, me nog even op, maar op zo'n 5100 meter gaat het echt niet meer. Met tranen in de ogen daal ik af. Voor het eerst dringt tot me door dat ik de top wel eens niet zou kunnen halen.
In het basiskamp probeer ik de volgende dag wat aan te sterken. Dat valt niet mee, aangezien de enige brander die hier nog is dusdanig aan het aftakelen is dat het meer een warmhoudplaatje is geworden. Nog een dag later voel ik me nog steeds niet veel fitter. Toch doe ik nog een poging kampl te bereiken, want bier in BC valt ook niet veel te beleven. Helemaal afdalen is mijn eer te na en ik heb in kampl nog niet eens foto's gemaakt. Omhoog gedreven door Pearl Jam en Tool, veel water en wat broodjes bereik ik na acht uur kampl. Met applaus wordt ik binnengehaald alsof ik een hele prestatie heb geleverd. Het voelt echter anders. Zeker als de rest al gegeten heeft en het enige dat er nog voor me is wat soep is en wat chocolade, Vermoeid kruip ik in de tent.

De redding.

"HELP, DOCTOR!!". Arjen wordt de volgende ochtend wakker van hulpgeroep. Hij kruipt in de kou naar buiten en ziet een groepje klimmers bij een tent verderop staan. Hij loopt er naar toe en vraagt wat er aan de hand is. "Och, daar verderop schijnt iets aan de hand te zijn" zegt één. Ze maken zich op om zo snel mogelijk omhoog te gaan. Arjen denkt zo dat er niets bijzonders is, maar gaat toch even kijken. Als hij de tent van twee Amerikanen in kijkt schrikt hij zich wezeloos. Een man ligt lijkbleek en met glazige ogen te rochelen als een dieselmotor. Hij roept Robert er bij en deze ziet dat de man onmiddellijk naar beneden moet. Martin, Reinier, Anton - de sterksten onder ons - en Hub - onze 'medicus' - worden wakker gemaakt. Van twee skistokken en een slaapmatje wordt een brancard geïmproviseerd en de Amerikaan wordt naar beneden gebracht. Al snel blijkt de brancard niet te werken en dragen ze de Amerikaan één voor één op de nek. Dit houdt niemand langer dan een meter of dertig vol, zodat er veel gewisseld moet worden. Het is duidelijk dat de Amerikanen veel te snel de berg op zijn gegaan. Binnen vijf dagen van 2700 naar 7000 meter. Dat kan geen lichaam fatsoenlijk aan. De man heeft een ernstige vorm van longoedeem. In de EHBO-tent één van de meest behandelde aandoeningen. De man heeft het gehaald. Een paar uur langer in kamp 1 zouden hem fataal geweest zijn.
De redders presteren het daarna om binnen vier uur (zonder bagage) weer in kampl te zijn. Het is duidelijk dat we na vandaag morgen nog een rustdag moeten houden.
Zo'n rustdag is op een plek als deze meer een verveeldag. Het is te koud om je lang buiten op te houden. Bovendien ben je daar gauw uitgekeken. Dus dan de hele dag maar in de tent liggen. Een enkeling heeft een boekje meegenomen, maar dat is ook gauw uit. De rustdag was wel noodzakelijk. Het is weer gaan waaien. En niet zo'n beetje ook. Om de haverklap lijkt het alsof er rond de top een vliegtuig zijn motoren start. Dan zwelt het gebulder aan en even later staat de tent te schudden en te klapperen. Iedere keer is het weer afwachten of de tent het houdt. We hebben alle tenten met enorme rotsblokken verankerd, maar op een zeker moment scheurt de wind het tentdoek van één van de tentjes open. Daar valt niets meer mee te beginnen. Anton en Lucy halen snel hun spullen uit de tent en zoeken een plekje in de andere tenten. We hebben nog zeven tweepersoons-tentjes met zijn zestienen. Het wordt in eik geval gezellig.
's Middags zoeken we buiten een, voor zover mogelijk, beschut plekje achter wat rotsen om de aanval op de top te bespreken. Morgen vertrekken we allemaal naar kamp2 op 6000m om nog diezelfde nacht om een uur of vier te vertrekken richting top. Eén tent blijft in kampl voor eventuele afvallers. Tot nu toe is er sprake van geweest om in twee groepen op achtereenvolgende dagen richting top te gaan, maar niemand wil hier langer blijven dan absoluut noodzakelijk is, dus gaat iedereen op dezelfde dag. Ik laat weten me niet sterk genoeg te voelen voor een toppoging. Ik ga nog wel mee naar kamp2 om mijn hoogterecord te verbeteren. Als we de volgende dag vertrekken, ben ik weer niet vooruit te branden. Zware benen, een wee gevoel in de maag, maar geen hoofdpijn of duizeligheid. Echt last van de hoogte kan ik dus niet hebben. Maar al na een uur zegt een stemmetje in mijn hoofd: "hou er maar mee op, het lukt toch niet meer". Ik laat de rest weten om te draaien. We zitten amper op 5400m. Ik ga even zitten en drink een flinke hoeveelheid. Als ik om me heen kijk valt het me op dat het uitzicht eindelijk een beetje imponerend wordt. Ik maak wat foto's en drink nog wat. De rest is inmiddels achter een rotsband verdwenen. Ik voel me ineens weer een stuk beter en vind het toch zonde om om te draaien. Ik besluit toch nog wat hoger te gaan. De rest is uit het zicht, dus kan ik mijn eigen, zeer langzame tempo aanhouden. Maar na zo'n anderhalf uur sta ik ineens voor de rest. Ze hebben me zien aankomen en gewacht.
Dat vond ik niet nodig. Men raadt mij aan om te draaien. Ik zeg dat het wel gaat, als ik maar langzaam aan doe. Dan gaan ze verder.
Ik neem maar weer een lange pauze. Ik weeg de wijze woorden van de rest af tegen mijn eigen gevoel. Ik kan nog wel verder komen, dat is duidelijk. Maar de toestand waarin is wel zorgelijk. Als ik nu alles geef, en dan nog weer in m'n eentje naar beneden moet, is de kans dat er wat mis gaat groot. En waarvoor nog? Die 6000m is een bijna heilig doel geworden. Maar ten koste van alles? Nee, het is het me niet waard dat me wat over komt. Maar ik heb geen maanden getraind om zo maar om te keren. Heel even twijfel ik nog, maar dan besluit ik definitief om te draaien. Al gauw merk ik dat het een verstandig besluit was. Mijn benen willen niet meer. Elke stap moet ik oppassen niet door mijn knieën te zakken. Ik rust nog even en probeer een foto te maken met de Twinsoft-vlag op de voorgrond en het magnifieke vergezicht dat de Andes nu biedt op de achtergrond. Het waait echter veel te hard om de vlag rechtop te houden. Dan daal ik verder af. Niet naar kampl, maar helemaal naar het basiskamp. Ik heb me nog nooit zo leeg gevoeld.

De top.

De volgende dag is het stralend weer in het basiskamp. Een heldere hemel en niet al te veel wind. Rond de top is geen wolkje te bekennen. Toch weet ik dat het er koud moet zijn en hard waait. Rond het middaguur begin ik me steeds af te vragen waar de rest zit en boe het daar boven gaat. Met een verrekijker probeer ik ze te vinden, maar er zijn zelfs geen stipjes te bekennen. Morgen zal ik pas weten hoe het is afgelopen. Als het goed is keert iedereen na de toppoging terug naar kampl om morgenochtend naar hier af te dalen. Als ik 's avonds om een uur of acht met mijn Amerikaanse buurman sta te praten komen Robert en Henk ineens aanstrompelen. Henk heeft een vrij acute aanval van de hoogte gehad. Het was het beste dat bij niet in kampl bleef. Robert is met hem meegegaan - vooral omdat zijn sigaretten op waren. "Veertien man op de top!" zegt Robert. Het duurt even voor dat tot me doordringt. Veertien! Alleen Hub zag het niet meer zitten en is direct boven kamp2 omgekeerd. Ik maak wat koffie en hoor de verhalen aan. Vanochtend werkten in kamp2 de meeste branders niet, waardoor iedereen pas twee uur later dan geplandkamp2 verliet. Daardoor liepen ze wel twee uur eerder bij daglicht, wat voor velen het verschil heeft gemaakt tussen omkeren of doorgaan. De kou was ondraaglijk. Minus twintig en een snoeiharde wind. Ed was moeizaam bovengekomen en wou niet meer van de top af. Ze hebben hem naar beneden moeten begeleiden. En Nico en Arjen, die toch door zijn gegaan, terwijl dat in hun vermoeide toestand eigenlijk niet meer verantwoord was. Ook zij hadden het alleen waarschijnlijk niet gered naar beneden. Maar de rest was zonder echte problemen bovengekomen. Alleen de kou heeft bijna iedereen te pakken gehad. De volgende ochtend komt de rest één voor één het basiskamp binnendruppelen. De één nog moeizamer dan de ander. Lucy heeft erg veel pijn aan haar tenen. De vorst is er ver in doorgedrongen. De tenen zijn nog net niet zwart, wat zou resulteren in amputatie, maar het scheelt niet veel. Het kan nog wel enkele maanden duren voor ze volledig hersteld zijn. Robert is nog even kwaad op Arjen, die doorging terwijl het onverantwoord was en daarmee de rest ophield, maar hij is op de top geweest. Net als de andere dertien. Een unieke prestatie. Er is gisteren nog een Amerikaan alleen boven gekomen. Hij is vermoeid en versuft door de hoogte op de top blijven zitten en doodgevroren. Succes hangt hier aan een zijden draadje. Dan is het tijd om te pakken. Morgen dalen we in één keer af naar Puente del lnca, om nooit meer bij deze wrede berg te hoeven terugkeren. Hoewel?

 

Nog meer zien en lezen???? Klik hier ---> <---